Art. 36 vragen

Vragen statiegeld

Vlaardingen, 14 maart 2012

Vragen ex art 36: Behoud en uitbreiding Statiegeldsysteem


Geacht college,

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu is tot een “onderhandelingsakkoord verpakkingen en statiegeld” gekomen met het verpakkende bedrijfsleven en de VNG over de inzameling en het hergebruik van verpakkingen.


Dit akkoord zet in op ‘ de verduurzamingsagenda van het bedrijfsleven’ en sorteert naar de mening van de ChristenUnie/SGP –zeer ongewenst – voor op het op termijn afschaffen van het gehele statiegeldsysteem.
Daarmee komt dit akkoord in het geheel niet tegemoet aan het verzoek van de VNG-leden (i.c. de gemeenten), zoals verwoord in de motie op het VNG congres, waarbij de leden zich in grote meerderheid (94,1%) hebben uitgesproken voor uitbreiding van het huidige statiegeldsysteem (zie toelichting).
De ChristenUnie/SGP-fractie vindt dat er een valse tegenstelling wordt gecreëerd door enerzijds hoog in te zetten op duurzaamheid en anderzijds aan te koersen op afschaffing van het statiegeld, terwijl uitbreiding van de onder de bevolking volledig ingeburgerde statiegeldregeling de verduurzamingsagenda juist kan ondersteunen.

In dat kader hebben wij de volgende vragen aan u:

1. Bent u het met de visie van de ChristenUnie/SGP fractie eens zoals boven verwoord? Zo nee, waarom niet?
2. Bent u het met ons eens dat afschaffing van het statiegeldsysteem zeer ongewenste gevolgen voor Vlaardingen met zich mee kan brengen, zoals grote toename van het zwerfvuil in de openbare ruimte en daarmee verhoging van de opruimkosten?
3. Bent u bereid om de door Vlaardingen af te vaardige vertegenwoordigers bij de komende VNG ledenraadpleging als opdracht mee te geven om alleen akkoord te gaan met het “onderhandelingsakkoord verpakkingen en statiegeld” als het statiegeldsysteem wordt gehandhaafd en wordt uitgebreid met in ieder geval kleine PET-flesjes en blikjes en er een vastgestelde jaarlijkse bijdrage komt van producenten voor het opruimen van zwerfafval die overeenkomt met de kosten die gemeenten moeten maken voor het opruimen van dit afval.

Wij zien uw antwoord met belangstelling tegemoet.


Namens de ChristenUnie/SGP fractie,

Esther Heijndijk – van der Veer


Nadere TOELICHTING
Op woensdag 7 maart jl. heeft staatssecretaris Atsma gesproken met de Kamerleden van de commissie Infrastructuur en Milieu. Op dat moment was slechts behandeling in eerste termijn mogelijk. De tweede termijn zal waarschijnlijk over enkele weken plaats vinden. Op dit moment is er dus nog steeds sprake van onzekerheid over het behoud en uitbreiding van de statiegeldregeling. In de tussentijd is het van belang om als gemeenten de VNG aan te spreken op de inhoud van de motie, zoals die op het congres van de VNG vorig jaar juni is aangenomen.
De staatssecretaris is van mening dat een bijdrage van 20 miljoen door het verpakkende bedrijfsleven, die voor een groot deel aan voorlichtingsmateriaal en afvalbakken wordt besteed, een belangrijke impuls aan bestrijding van zwerfvuil zal zijn. De opruimkosten voor gemeenten bedragen nu al minstens 200 miljoen.
De staatssecretaris is van mening, dat het opleggen van hoge(re) boetes aan personen die meerdere (!) malen betrapt worden op het weggooien van vuilnis op straat een relevante bijdrage aan de oplossing van het zwerfvuilprobleem kan zijn. Het inzetten van boetes zal onvoldoende effect kunnen sorteren vanwege het gebrek aan handhavingscapaciteit.
Uitbreiding van de regeling naar kleine plastic flesjes en blikjes kan de inzameling nog efficiënter maken, met meer milieuwinst tegen minder kosten. De staatssecretaris heeft niet aangetoond dat de statiegeldregeling niet duurzaam zou zijn. Er bestaat bovendien een groot maatschappelijk draagvlak bij de bevolking voor het statiegeldsysteem. Inzet van voorlichting en afvalbakken is nu al onvoldoende effectief gebleken om zwerfvuil tegen te gaan. Rond de 30% van het zwerfvuil bestaat uit kleine PET-flesjes en blikjes die goed kunnen worden ingezameld via het statiegeldsysteem
Voorkomen moet worden dat de baten voor (een deel van) het bedrijfsleven en de lasten voor de gemeenten, de burgers (en het milieu) zullen zijn in de toekomst.