Art. 36 vragen

Brandveiligheid bioscoop

Geacht College,


Op 12 juni 2013 hebben wij kennis genomen van uw raadsmemo inzake de brandveiligheid binnen de bioscoop in het voormalige V&D-pand.
In deze memo lezen wij dat op grond van (een nieuw) advies van de brandweer de ontwikkelaar geen brandweerlift (of gelijkwaardige oplossing) meer hoeft te realiseren en dat u verder afziet van het doorzetten van handhaving. Dit gelet op de hoge kosten om de brandweerlift alsnog aan te leggen en het nieuwe advies van de brandweer dat de brandweerlift geen invloed heeft op de veiligheid van bezoekers en hulpdiensten.


U geeft daarmee expliciet aan dat het pand niet voldoet aan de regels van het Bouwbesluit (art. 6.39 Bouwbesluit: “Een te bouwen gebouw waarvan een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 20 m boven het meetniveau heeft een brandweerlift), maar dat u de feitelijke bouwsituatie in de bioscoop –zonder brandweerlift- accepteert en de eigenaar en exploitant volledig verantwoordelijk stelt voor het niet voldoen aan deze specifieke eis uit het Bouwbesluit en de eventueel daaruit voortvloeiende claims.
De ChristenUnie/SGP wil, omdat dit gaat om een gevoelige kwestie, volledige duidelijkheid en zekerheid dat hier op geen enkele wijze sprake is van een verhoogd veiligheidsrisico voor bezoekers en hulpdiensten. 
In deze context willen wij u graag de volgende vragen stellen.


1) Bent u het met ons van mening dat, conform (de toelichting bij) art. 6.39 van het Bouwbesluit, een brandweerlift aanwezig moet zijn voor het kunnen redden van personen bij brand en het bestrijden van brand door de brandweer, en dat deze lift niet alleen bedoeld is om het reddingsmateriaal van de brandweer te vervoeren, maar ook om de brandweer zelf op een veilige wijze naar een boven gelegen verdieping te brengen om te zoeken naar eventueel achtergebleven personen?
2) Kunt u aangeven wat uw beweegreden waren om in eerste instantie meerdere malen een ontheffingsverzoek inzake de plaatsing van een brandweerlift in het voormalig V&D-pand van de ontwikkelaar te weigeren?
3) Waarin verschilde het eerste advies van de VRR/brandweer van het tweede (nieuwe) advies en waardoor zijn deze inhoudelijke verschillen ontstaan?
En kunt u ons het nieuwe advies van de brandweer, waarin zij expliciet aangeeft dat een brandweerlift niet noodzakelijk is, toesturen?
4) Vindt u het ook niet dat uw handelswijze, waarin u in eerste instantie (op basis van het eerste advies van de brandweer) een strak handhavingstraject (incl. de oplegging van een dwangsom) ingaat en de inzet van brandweerwachten eist en vervolgens bij nader inzien toch afziet van naleving van het vigerende Bouwbesluit, heel verwarrend overkomt bij de raad en de burger?
5) In uw memo stelt u de eigenaar en exploitant volledig verantwoordelijk voor het niet voldoen aan de eis van het Bouwbesluit en de eventueel daaruit voortvloeiende claims; maar wie is nu uiteindelijk primair verantwoordelijk -mocht er onverhoopt toch iets mis gaan- voor het niet-naleven van het Bouwbesluit? De Gemeente, VRR/brandweer of toch exploitant/eigenaar?
6) Kunt u zich voorstellen dat gezien het verloop van deze hele situatie het beeld bij ons is ontstaan dat u (of de VRR/brandweer) wellicht onder druk van de grote (economische) belangen van het welslagen van het Leisureconcept toch heeft afgezien van toepassing van de vigerende regels uit het Bouwbesluit?
7) Bent u niet bang dat een dergelijke opstelling in dit geval, wellicht zou kunnen leiden tot een precedentwerking t.a.v. toekomstige ontheffingsverzoeken van andere projectontwikkelaars/burgers?


Wij zien uw antwoord met belangstelling tegemoet.


Namens de ChristenUnie/SGP-fractie,


Esther Heijndijk – Van der Veer